Samenvatting

Van de experimentele werkwijzen in het programma Meedoen Werkt is veel geleerd. De belangrijkste lessen en inzichten zetten we hier op een rij. Ze zijn gebaseerd op de eindrapportages en op de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de werkzame bestanddelen van het programma Meedoen Werkt. Sommige inzichten zijn verrassend, anderen helemaal niet. Voor die open deuren geldt nu wel dat ze in de praktijk beproefd en onderbouwd bewezen zijn.

Mens in beeld

  1. Persoonlijke aandacht is meest bepalende factor om mensen maatschappelijk mee te laten doen.
  2. Dwang werkt niet, vasthoudendheid wel: blijvende aandacht, mensen in beeld houden en niet los laten.
  3. Dienstverlening op een informele locatie in de buurt, dichtbij de burger, geeft een meer gelijkwaardige setting. Dit heeft een positief effect op het vertrouwen van de bijstandsgerechtigde in de ondersteuning van de professional.
  4. Ervaringsdeskundigen zijn een belangrijke aanvulling op de dienstverlening van de professional maar geen vervanging. Ervaringsdeskundigen fungeren als schakel tussen de leefwereld van de Amsterdammer en de systeemwereld van de zorg- en dienstverlening.
  5. Amsterdammers blijven langer deelnemen aan activiteiten of trajecten wanneer er sprake is van continuïteit en stabiliteit in de ondersteuning. Factoren als eerlijkheid over het doel van het traject/de ondersteuning en duidelijke afspraken die daadwerkelijk worden nagekomen, spelen daarbij eveneens een rol.
  6. Amsterdammers voelen zich het meest geholpen als direct na de start van een participatietraject er concrete ondersteuning wordt geboden, ook op andere leefgebieden. Graag met zo min mogelijk doorverwijzingen.

Passende Plekken en Trajecten

  1. Voor Amsterdammers is meedoen geen doel op zich. Ertoe doen is waar het om gaat. Voor velen het liefst gewoon in een betaalde baan.
  2. De motivatie en de wens van mensen om te werken hebben meer invloed op de kans van slagen dan hun ‘afstand tot de arbeidsmarkt’.
  3. Om meer mensen mee te laten doen, is het niet nodig veel extra participatieplekken en -trajecten te creëren. Binnen het bestaande aanbod blijken er veel meer mogelijkheden te zijn als professionals elkaars kennis en kunde bundelen en nauw samenwerken.
  4. Obstakels die mensen tegenkomen als ze stappen willen zetten richting (meer) betaald werk zijn niet zozeer gelegen in wet- en regelgeving maar veeleer in het ontbreken van informatie en inzicht bij professionals over alle mogelijkheden. Goede samenwerking tussen professionals leidt in bijna alle onderzochte casuïstiek tot oplossingen.
  5. Hetzelfde geldt voor betaald werk. Werk is dichterbij dan je denkt wanneer verschillende netwerken (werkgevers, zorginstellingen, kandidaten, gemeente) mixen en elkaar daardoor beter leren kennen. Er ontstaat meer begrip en bereidheid om vacatures passend te maken op de mens, in plaats van –zoals gebruikelijk is- dat de mens moet passen op de vacature.
  6. Work first, werk als medicijn. Het is niet altijd nodig om eerst andere problemen zoals taalachterstand, schulden, of gezondheidsproblemen, op te lossen. Werk geeft mensen zelfvertrouwen waardoor andere problemen makkelijker zijn op te lossen en soms verdwijnen. Geen eindeloos stappenplan.
  7. Door de financierings- en verantwoordingssystematiek van de gemeente (en andere financiers) staat het aanbod te veel centraal en niet de behoefte van een specifieke persoon. Maatwerk in het belang van de Amsterdammer komt daardoor in de knel.
  8. De (informele) buurtinitiatieven zijn een laagdrempelige mogelijkheid voor mensen om stappen te zetten op het gebied van participatie of werk. Ook voor mensen met een licht verstandelijke beperking of psychische problematiek. Mensen voelen zich er burger in plaats van cliënt. Buurtinitiatieven zijn vangnet én springplank voor participatie en een waardevol onderdeel in de participatieketen. Er zijn wel grenzen en randvoorwaarden (stabiliteit, begeleiding, samenwerking met formele instellingen en ondernemers in de buurt).

Matchen

  1. Door in de buurt te werken, hebben klantmanagers meer zicht gekregen op de formele en informele participatiemogelijkheden. Zij kunnen bijstandsgerechtigden warmer (persoonlijker) begeleiden naar een participatieplek in de buurt.
  2. Door onderlinge samenwerking ontstaat er een beter beeld van de situatie van de Amsterdammers omdat er vanuit meerdere invalshoeken wordt gekeken. Daardoor kunnen problemen meer gelijktijdig en in hun onderlinge samenhang worden opgepakt (geen schotten tussen de leefdomeinen).
  3. Multidisciplinair samenwerken zorgt voor een natuurlijke flow in het proces, geen overdrachtsmomenten en een onderlinge vertrouwensband.
  4. De succesfactor bij multidisciplinair samenwerken is de gedeelde verantwoordelijkheid en gelijkwaardigheid.
  5. Om multidisciplinair samenwerken te laten slagen is samenwerking in een team, bij voorkeur aan een gezamenlijke caseload, essentieel. Het is noodzakelijk dat er ontmoeting, kennisoverdracht en gezamenlijkheid ontstaat.
  6. Waar multidisciplinair samenwerken niet mogelijk is, is buddyschap een alternatief. Iedere professional heeft een buddy op een ander werkveld.

Wat doen we met de inzichten?

Veel zaken die als experiment of pilot zijn gestart zijn inmiddels opgenomen in de reguliere werkwijzen. We noemen hier de hoofdlijn.

Welke vraagstukken liggen er nog?

1.

Multidisciplinaire samenwerking is ontzettend effectief gebleken maar ontstaat toch zelden spontaan. Er is altijd iets of iemand nodig die dat van buitenaf faciliteert. Wat is ervoor nodig om multidisciplinaire samenwerking van binnenuit tot stand te brengen?


2.

Bij zorgaanbieders is de aandacht voor doorstroom naar werk nog geen vanzelfsprekendheid. Er is onvoldoende kennis van de mogelijkheden op het gebied van werk voor mensen in een kwetsbare situatie. Bij aanbieders van werk of re-integratietrajecten is weinig bekend over de arbeidsmatige trajecten in de zorg en over mogelijkheden van mensen in zorg. De werelden komen nog niet als vanzelf bij elkaar.


3.

Er is een spanningsveld tussen de belangen van cliënten en de belangen van maatschappelijke organisaties en ondernemers. Het laten doorstromen van cliënten naar een andere dagbestedingsplek of naar werk, is niet altijd goed voor de organisatie of de onderneming. De financieringsprikkels staan de verkeerde kant op.

4.

Buurtinitiatieven zijn een vangnet en springplank voor mensen op het gebied van participatie, ook voor Amsterdammers met een beperking (LVB en/of psychische problematiek). Om de kracht van vangnet en springplank te vergroten is het van belang dat buurtinitiatieven tot een effectieve samenwerking komen met de meer formele partijen in de buurt zoals werkgevers, de gemeente (WPI) of zorginstellingen. Het informele karakter van dit soort initiatieven maakt dat vaak lastig.


5.

Ervaringsdeskundigen zijn een waardevolle aanvulling op het werk van de professionele zorg- en dienstverlener. Mensen met een vergelijkbare ervaring leggen contact met Amsterdammers die het vertrouwen in instanties zijn kwijtgeraakt. Vanuit herkenning en erkenning ontstaat vertrouwen en samen kijken ze naar de volgende stap. Hoewel ervaringsdeskundigheid steeds vaker wordt ingeschakeld, worstelen veel instellingen en instanties nog met de rol en plek die zij ervaringsdeskundigen geven in hun organisatie.